Met je vader op pad in een Subaru Outback om buiten New York een paar dagen te kamperen, met een vriend van je vader en diens zoon Dylan. Maar Dylan heeft op het laatste moment geen zin, als de auto al ergens in Greenwich Village of een daaraan gelijk luxe deel van de stad voor de deur staat. De gescheiden vader Matt (Danny MacCarthy) is geen fijn gezelschap voor een jongvolwassen zoon. Dus gaat Sam – fraai gespeeld door Lily Collias, in een mooie regie die dicht op de huid komt – maar alleen met de twee oudere mannen op pad. Die hebben een soort van ‘vrij wandelen’ gekregen; Sam is het aangename gezelschap, de trouwe dochter die haar vader wel – en niet voor het eerst – het plezier wil doen van een gezamenlijke kampeertocht. Een kampeertocht inclusief gadgets voor onderweg, inclusief te nieuw én te oud materiaal, inclusief survival food (pindakaaspoeder), inclusief te zware bepakking en inclusief alles wat dit soort kamperen tot een fout kamperen maakt. En inclusief de nodige tragikomedie, zoals onnodige spijkerbroeken die meegaan in de rugzak, net als ponden lege categorieën aan snoepgoed, en een slaapzak die niet meegaat maar per ongeluk in de auto achtergelaten wordt.
Het is een nogal oubollige sfeer waarin de start van de meerdaagse wandeltocht plaatsvindt, en onderweg wordt het niet veel beter. Suffe gesprekken van in mid-life crises verkerende vaders die in hun gedrag een toneelspel opvoeren maar zelf ook dondersgoed weten dat ze geheel en al samenvallen met de volstrekt non-authentieke, meer dan gemiddeld verdienende, maar halverwege het in het leven sterven steken gebleven sjabloon-vijftigers, voor wie het onverwachte in dat leven – voor zover het er ooit geweest is – er wel op zit. Of zoals Sam, bij een van de verhalen die ’s avonds bij de tent verteld worden – de voorafgegane verhalen van de vaders zijn plotloos en slaan geheel en al dood – scherpzinnig en dodelijk voor Matt meedeelt: ‘Je krijgt een nieuwe vriendin. Ze is mooi, 25 jaar, en jullie vallen voor elkaar. Jullie zijn verliefd en vieren het leven. Jaren gaat het goed, en dan wordt het serieus. Ze wordt 30, de biologie gaat werken, ze wil kinderen, en dan ben jij 60. En wil je nog kinderen als je 60 bent?’
Het kamperen van de mannen stelt niet veel voor. Zoals Louis Paul Boon het ooit beschreef in het verhaal ‘Te oud voor kamperen’: ‘Maar in hun houding en stem en gebaren ligt het honderdduizendjarig gelaten en verduldig dragen-van-alle-lasten. Oui, messieurs, en alles aan hen hangt naar de grond gebogen, hun armen en hun hoofd, hun moustache en hun penis.’ De natuur onderweg is ondertussen mooi, achteloos mooi. Heel veel diepgroen, fraaie rotspartijen, een prachtig uitzicht op een meer, en stilte – afgezien van nog een ander groepje wandelaars dan, ook weer drie dolende, zij het jongere, mannen. Sam voorziet haar vader Chris (James Le Gros) en vriend Matt van goede noedelsoep, helpt bij het opzetten van de tenten, biedt zelfs haar slaapzak te leen aan… En ze geeft vaak mild, vaak ook direct, slim en straight commentaar op het gezever van de vaders die zich maar al te gemakkelijk slachtoffer noemen van omstandigheden waarin hun relaties gesneuveld zijn, zonder te erkennen dat ze zelf toch partij zijn geweest in het stuklopen van die relaties.
Dat het uiteindelijk over macht gaat, over cultureel bepaalde patronen, maar vooral om individuen die alleen met het eigen ego bezig zijn – en volstrekt niet in staat zich te verplaatsen in de leef- en gedachtewereld van Sam – wordt in de loop van de film steeds meer helder, zeker na een wel heel onhandige, lompe en beschadigende opmerking van Matt. Als in een vervolgscène de dag erna de wandeling weer verder gaat komt in mijn hoofd ineens een oud refrein boven – ‘Loneliness’ … een Sparklehorse-nummer (‘Maria’s little Elbows’, van Good mornin’ spider) – en wordt de strekking van de film duidelijk, om diep in te slaan. Weerloosheid, als de naaktslak die bij de tent rondkruipt in de motregen, het volle besef er alleen voor te staan waar de mensen rondom er feitelijk niet in slagen om echt contact te maken. Overgeleverd aan jezelf in een ogenschijnlijk vriendelijk landschap, maar niemand die elkaar verstaat. Die essentie van de film is met een zachtmoedige toets maar in een finaal ontnuchterende meedogenloosheid in beeld gebracht. Culminerend in een onuitsprekelijke woede die samengaat met een gelaagd verdriet, een verdriet dat zich alleen maar laat tonen in een onmachtige, maar in de zwijgzaamheid waarin die wordt uitgevoerd tegelijkertijd ook superieure handeling. Stenen in een rugzak, om zwaarte te geven aan wat zwaar moet wegen. Maar waarvan de essentie toch niet doordringt tot Chris en Matt, wanneer ze – uren na Sam – uitgeput na hun meerdaagse walk in the park weer bij hun Outback terugkeren. Of Sam wil rijden, de mannen zijn moe.
‘In between two tall mountains there’s a place they call lonesome’, zingt Connie Converse in de aftiteling van de film. Alles kaal, zonder opsmuk gefilmd, zoals de schreefloze, oranje-lichtrode belettering bij de credits na de film, maar dat oranje-lichtrode brandt ondertussen wel in.
