‘Half April’ is een liedje dat Daniël Lohues al weer jaren geleden speelde met Holland Baroque. Over het grauwe en natte van de winter, en over het verlangen naar het moment waarop het beter wordt. Gespeeld met de verkwikkende helderheid van het barokorkest, met de omspelingen van de traverso, de efemere transparantie van het clavecimbel, het pizzicato van de strijkers en de finale bevrijdende melodie van de hobo.
Veel van wat hier besproken wordt – vooral films, maar ook boeken en muziek – gaat over een verlangen naar betere tijden, vaak in weerwil van het gure en het wrede dat niet te ontkennen valt, ook niet in april. De grimmigste maand, naar T.S. Eliot, de maand die – in de vertaling van Paul Claes – seringen wekt uit het dode land, en herinneringen vermengt met verlangen. Met voorjaarsregen op lome wortels.
Voorjaar, regen, licht. Zoals in Ochtenden van Donald Niedekker: ‘Het eerste licht glinstert in de zilverwitte pluizenbollen van de paardenbloemen.’ Soms ook een schoonheid die, naar Armando, niet pluis is. De vroeg neergaande zon, én in alle vroegte het tegendraadse van Jan Hanlo: ‘Het was half vijf ’s morgens in April / Ik liep en floot de St. Louis Blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze.’
